Pieter oreert…

voor de sozial freischwebende Intelligenz

Azijnpissers

In het algemeen is er in de geest van het volk alleen plaats voor eenvoudige concepten. Een verkeerd maar duidelijk en precies idee zal in de wereld altijd meer kracht hebben dan een juist maar ingewikkeld idee.
Alexis de Tocqueville – Over de Democratie in Amerika.

Een tijdje terug kondigde het nieuwe journalistieke platform De Correspondent aan dat historicus Rutger Bregman toetrad tot haar gelederen. De reacties bij deze aankondiging waren bijna allemaal positief. Een enkele uitzondering daargelaten, en die kreeg dan ook meteen de wind van voren. Deze persoon werd verweten kritisch te zijn zonder argumenten te noemen, in plaats van constructief te zijn. Als hij niets positiefs te melden had, moest hij maar opzouten!

In reactie daarop plaatste ik ook een kritische reactie. Mijn mening over de columns van Bregman, zoals ik ze las op de site van de Volkskrant, is dat hij zich als historicus vaak waagt aan het doen van uitspraken die neerkomen op het poneren van sociologische wetmatigheden, zonder goed inzicht te hebben in Sociologie als wetenschap, zowel inhoudelijk als methodologisch. Hij legt verbanden tussen zaken die geen verband hebben, en verheft niet-essentiële aspecten van fenomenen tot essenties en slaat daarmee de plank mis. Waar Bregman zich schuldig aan maakt, is het veralgemeniseren van historische details die zich niet lenen voor veralgemenisering. Niet dat historici geen gevoel voor het sociologische kunnen hebben, maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld een Thomas von der Dunk bakt Bregman er niets van.

Ook ik werd vervolgens aangepakt. Bregman zelf reageerde beleefd door te zeggen dat hij zich niet in het geschetste beeld herkende, en dat ik maar met voorbeelden moest komen om mijn beweringen te staven. Ik zegde daarop toe dat ik erop zou terugkomen.

Toen ik echter over de situatie begon na te denken, begon een en ander mij behoorlijk te irriteren. Waarom zou iemand niet kritisch mogen zijn, of geen afwijkende mening mogen hebben? Waarom moet zo’n persoon meteen met sluitend wetenschappelijk bewijs komen die zijn mening objectiveert, daar waar anderen hun complimenten zonder enige vorm van onderbouwing mogen uiten? Ik besloot dat ze de pot op konden: laat anderen maar eerst beargumenteren wat er zo goed is aan de borrel- en papegaaienpraatcolumns van Bregman. Bovendien zouden mijn argumenten alleen maar olie op het vuur zijn, want weerstand overwin je in dit soort situaties niet met argumenten. Het gaat namelijk helemaal niet om argumenten.

Het is tegenwoordig heel gewoon om mensen die uit de toon vallen, meteen uit te maken voor azijnpissers, of hun gedrag te duiden met andere, al dan niet vriendelijker termen die op hetzelfde neerkomen. Dat je bijvoorbeeld een kritisch signaal als aanleiding ziet om jezelf af te vragen of de criticus wellicht een punt heeft, is vandaag de dag steeds minder aan de orde. Hoe moeten we deze ontwikkeling duiden?

Op dit blog heb ik hier en daar al eerder gesproken over de horizontalisering van de samenleving: het wegvallen van hiërarchische maatschappelijke verhoudingen en het meer gelijk worden van relaties tussen individuen onderling, maar ook tussen instituties en individuen ten gunste van de laatsten. Datgene wat we gewoonlijk democratisering en individualisering noemen. Aan die ontwikkeling zitten, zoals eerder toegelicht, zowel sociologische als psychologische aspecten. Een psychologische aspect is dat we steeds meer te maken krijgen met mensen uit generaties die niet gewend zijn met kritiek om te gaan, of het nou gaat om kritiek op henzelf of op iets of iemand anders. Zij zijn opgevoed en opgegroeid in een cultuur waarin het gewoon is geworden om bewondering uit te spreken voor van alles en nog wat, en heel vaak ook om niets. Bewondering die niet alleen geuit wordt met woorden, maar bijvoorbeeld ook met materiële beloningen.

Zo zijn er generaties ontstaan die bepaalde sociale vaardigheden hebben meegekregen. Vaardigheden die op het eerste gezicht heel wenselijk lijken. Mensen uit deze jonge generaties hebben zich vaak goed ontwikkeld in netwerken. Zij zijn, meer dan eerdere generaties, in staat doelen te realiseren door het aangaan en onderhouden van sociale relaties, daar waar oudere generaties het meer moeten hebben van, bijvoorbeeld, vakgerelateerde competenties. Het zijn bovenal generaties die in staat zijn tot wat ik voor het gemak maar even “ik-vind-jou-leuk – ja-ik-vind-jou-ook-leuk” gedrag noem. Oplettende psychologen hebben nu in de gaten dat ik het hier over een aspect van -al dan niet pathologisch- narcisme heb: we kunnen in toenemende mate alleen nog maar omgaan met mensen die ons positieve zelfbeeld bevestigen, die tegemoet komen aan onze behoefte aan narcistische gratificatie. In een samenleving die steeds meer leunt op dergelijke sociale verhoudingen is geen plaats meer voor afwijkende meningen, of die nou wel of niet met keiharde argumenten ondersteund worden. Ik zeg nogmaals: het gaat namelijk helemaal niet om argumenten. Het gaat om Likes; op facebook, maar ook ‘in real life’.

De keerzijde van deze medaille is dat nieuwe generaties minder goed hebben geleerd om te gaan met kritiek, zelfs al is die opbouwend bedoeld. Kritiek wordt dan als waardeoordeel geïnterpreteerd en als krenkend ervaren, want het veroorzaakt cognitieve dissonantie ten opzichte van het zelfbeeld. Een weinig geïndividueerd, sociaal geconstrueerd zelfbeeld dat vooral het resultaat is van hoe anderen je waarderen. Om dergelijke ‘aanvallen’ af te slaan, wordt kritiek gepareerd met sociale strategieën die moeten leiden tot het in het gareel dwingen van de afwijkende mening, of als dat niet lukt, tot sociale uitsluiting. Want “ik vind jou alleen maar leuk, als jij mij ook onvoorwaardelijk leuk vindt!” Uiteindelijk wordt je daar geen beter mens van.

Natuurlijk zijn er ook mensen die kritisch zijn om het kritisch zijn. Vaak zijn dat nare, anale of misantropische mensen die je liever uit de weg gaat, maar zelfs zij hebben een rol te vervullen in onze samenleving. Dit terzijde, want het is niet het soort kritiek dat centraal staat in mijn betoog.

Is deze trend te stuiten? Ik denk het niet, de trein dendert op dit moment al op hoge snelheid voort. Het gedrag van de jonge generaties past namelijk heel goed bij de eisen die deze tijd aan mensen stelt. In een samenleving die voor een belangrijk deel van gebakken lucht leeft, is vleierij de belangrijkste vaardigheid die je helpt een boterham bij elkaar te sprokkelen. Als dat je tweede natuur is, heb je een streepje voor. Dat verandert dus pas wanneer er met gebakken lucht geen droog brood meer te verdienen is. Dat is op dit moment trouwens aardig het geval (zo kom ik recentelijk heel veel werkloze, pardon, werkzoekende pas-afgestudeerden tegen), maar of de crisis zich zal vertalen naar een andere, gezondere economie of dat de gebakken-lucht economie toch een toekomst heeft, is iets wat ik niet kan voorspellen.

Toen Wijnberg en consorten De Correspondent lanceerden, was ik erg benieuwd of dit platform hét antwoord zou zijn op de crisis in de nieuwsmedia. Toen Joris Luyendijk uitlegde dat het een platform zou worden waar de nieuwsconsument een selectie kan maken van het nieuws dat hem of haar goed ligt (lees: informatie die geen cognitieve dissonantie aanwakkert), wist ik dat ze iets goeds in handen hadden, maar dat het niets voor mij zou zijn. Toen De Correspondent aankondigde een intellectueel onbenul als Rutger Bregman als columnist ingelijfd te hebben, had het platform voor mij afgedaan. Waarom? Omdat ik een azijnpisser ben!

Facebook Dislike Stamp

Comments are currently closed.