Pieter oreert…

voor de sozial freischwebende Intelligenz

De Politieke Integratie van Europa

“De Europese Unie is een pijpkaneel: wie het hardste zuigt, krijgt het grootste deel!” – vrij naar een onbekende Nederlander.

Het is een geregeld gebruikt argument van veel politici en andere voorstanders van het Europese project in zijn huidige vorm: men heeft zich in het verleden voornamelijk gericht op economische en monetaire integratie, waardoor de politieke integratie te weinig aandacht heeft gekregen. Dat probleem moet nu hersteld worden, zo vinden onder anderen Ruub Lubbers en Paul van Seters. Dat dit thans op een ondemocratische wijze lijkt te gebeuren, is blijkbaar van ondergeschikt belang. Niks directe inspraak van de Europese bevolking, zelfs een heus verdrag lijkt niet meer nodig te zijn: het gaat gewoon per geval geregeld worden in wat in zekere zin achterkamertjes zijn.

Ik kan me, als pro-Europese EU-criticus, natuurlijk een slag in de rondte praten, maar de politici gaan rustig hun eigen weg. Toch schrijf ik het hier for-the-record  maar even op: de nieuwe verbinding tussen de economische en de politieke unie waar Lubbers en Van Seters het over hebben gaat namelijk nooit werken. Waarom niet? Dat heeft Alexis de Tocqueville al in 1835 uitgelegd.

In zijn veelgeroemde boek Over de Democratie In Amerika legt De Tocqueville onder meer uit waarin de Amerikaanse confederatie verschilt van andere confederaties. Hij begint met de belangrijkste conclusie, namelijk dat de Amerikaanse federale staat niet alleen wetten kan opleggen, maar ze zelf ook kan en mag uitvoeren! De federale staat heeft zijn eigen instituties die in directe relaties staan tot de Amerikaanse burgers. De burger zelf kiest in democratische verkiezingen de federale bestuurders, de federale overheid heft zelf direct belastingen bij de burgers, in plaats van dat het bij de deelstaten moet aankloppen. Er zijn federale organisaties die federale wetten uitvoeren en federale rechtbanken en federale politie-organisaties die deze wetten handhaven. Het is deze directe relatie tussen federale overheid en de Amerikaanse burger die de laatste het gevoel geeft ‘first and foremost’ Amerikaan te zijn. Niet alleen omdat de burgers tijdens verkiezingen mogen stemmen, maar ook omdat zij belasting betalen en dus het morele recht hebben van de federale overheid iets terug te vragen en deze rechtstreeks, zonder tussenkomst van lokale of regionale bestuurders, politici of rechtbanken, aan te spreken. Dat draagt er mede toe bij dat de Verenigde Staten een stabiele unie vormen, niet alleen in goede tijden, maar vooral ook in slechte tijden. Dat laatste is waarin veel samenwerkingsverbanden, van huwelijken tot confederaties, stuklopen.

Kijk dan naar de Europese Unie. Er zijn Europese instituten en instituties, maar die hebben niet of nauwelijks een directe relatie met de gewone Europese burgers. Voor haar inkomsten moet de EU letterlijk bij de lidstaten smeken in plaats van dat ze belasting heft bij de burgers; de Europese bestuurders zijn niet direct door de burgers van Europa gekozen; de EU vaardigt weinig eigen wetten (zogenaamde ‘verordeningen‘) uit die burgers direct raken, maar voornamelijk ‘richtlijnen‘ die de lidstaten moeten omzetten tot wetten in hun eigen recht, met onder andere het gevolg dat ieder land de Europese richtlijnen op eigen wijze interpreteert, implementeert en uitvoert. De EU heeft ook weinig eigen handhavingsmiddelen, zoals een federale politie of rechtbanken die op regelmatige basis direct met Europese burgers in contact treden, en kan dus niet op eenduidige wijze de Europese richtlijnen of verorderingen afdwingen, waardoor sommige landen een loopje nemen met de uitvoering en handhaving van richtlijnen en verordeningen, zelfs al zijn die op correct wijze in de eigen wetgeving opgenomen. Bovenal kunnen Europese burgers niet zelf de Europese overheid direct aanspreken of op de vingers tikken, al was het alleen maar een Europees burger een Europese instelling alleen voor het Europees gerecht kan slepen als er een directe relatie russen die instelling en de burger bestaat; in praktijk komt zo’n relatie zo goed als nooit voor. Toegegeven, er is wel een Europees parlement, maar dat lijkt meer op een tandeloze ja-knikkende Eerste Kamer op pan-Europees niveau, een club die toch meer de indruk wekt een toneelstukje op te voeren dat moet verhullen wat er achter de façade werkelijk plaatsvindt. Je kunt wat dat betreft beter lobbyist voor een grote onderneming zijn, dan sta je op de vaste gastenlijst en gaan alle deuren in Brussel voor je open. Is de EU toch nog ergens goed voor.

De Tocqueville schrijft over confederaties van volken, zoals de EU:

“Als de voorgeschreven maatregel een van de deelstaten niet beviel, kon deze zich altijd aan de plicht tot gehoorzaamheid onttrekken. Was hij sterk, dan trok hij ten strijde, was hij zwak, dan tolereerde hij het verzet tegen de wetten van de Unie die de zijne waren geworden, wende machteloosheid voor en gebruikte het wapen van het nietsdoen [waar herkennen we dat vandaag de dag van? -PM]. Men zag dan ook constant een van de volgende twee dingen gebeuren: het machtigste van de verenigde volkeren nam de rechten van het federale gezag over en ging alle andere vanuit zijn naam overheersen [Duitsland? - PM], of de federale staat werd aan zijn lot overgelaten wat leidde tot anarchie onder de geconfedereerden en tot machteloosheid van de Unie.” (pag. 174-175).

Al met al logisch dat in veel EU landen de burgers kritisch naar de EU kijken. De EU en haar instituties zijn, geheel zoals De Tocqueville ons doet begrijpen, zowel in voor- als tegenspoed speelballen van diverse nationale belangen, en daarvan afgeleid, commerciële belangen. Dat men die weeffout probeert te herstellen met “partnerschappen” kan Lubbers en Van Seters wel veel vertrouwen geven, in mijn ogen is het knip- en plakwerk waar het geheel nog kwetsbaarder door wordt. Nog steeds zullen nationale belangen de belangrijkste factoren zijn bij de totstandkoming en uitvoering van die multilaterale partnerschappen. De EU verandert door zulk geknutsel op de vierkante centimeter niet in een Verenigde Staten van Europa; het verandert definitief in een sterfhuis, op dezelfde manier waarop de Nederlandse Republiek om zeep is geholpen: door de vorming van een regentesk bestuur.

Men zou uit bovenstaande kunnen concluderen dat ook ik juist pleit voor een heel sterke Europese politieke integratie, naar het model van de Verenigde Staten. Dat is in zekere zin zo. Ik ben niet anti-Europa, ik zou het juist geweldig vinden als we ons ontwikkelen tot een grote Europese familie. Maar die moet dan wel gebaseerd zijn op goede democratische grondvesten waarbij de burger een directe relatie ervaart met Europese instituties en organisaties, en zich zo ook in denken, voelen en doen als oprecht Europeaan kan manifesteren. Twee problemen: de EU beweegt zich niet alleen precies de andere, ondemocratische kant op, ook is de culturele diversiteit in Europa, in tegenstelling tot die van de Amerikaanse deelstaten, te groot om op korte termijn tot succesvolle politieke integratie te kunnen leiden. Burgers moeten namelijk ook onderdeel zijn van sociale en culturele integratie. En daar is al helemaal niet over nagedacht. Behalve dan door Alexis De Tocqueville.

Update 28 september 2015:

Zomaar even een voorbeeld van het door mij geschetste probleem, in dit geval de perikelen rondom de frauduleuze software in auto’s van het Volkswagen-concern:

De Volkswagen-fraude maakt ernstige twijfel los over het vermogen van de EU om de auto-industrie te reguleren en te controleren. De software waarmee Volkswagen de laboratoriumtests manipuleerde zijn al sinds 2007 verboden in de EU. De Europese Commissie, die de taak heeft om te zorgen dat EU-wetten ook worden nageleefd, zegt dat de lidstaten zelf geheel verantwoordelijk zijn voor de naleving van de wetten over auto-uitstoot van vervuilende stoffen.” (nadruk door mij).

Bron: www.volkskrant.nl

 

 

Comments are currently closed.