Pieter oreert…

voor de sozial freischwebende Intelligenz

antropologie




Linkse indoctrinatie

Ooit, toen ik nog tiener was, zat ik op een experimentele middelbare school in Almere. De meeste leraren waren wat we toen ook al ‘geitenwollensokkentypes’ noemden. Zelf bekende ik mij, in mijn jeugdige onnozelheid, tot de VVD.

Het was een zotte bedoening op die school. Leerlingen zaten tot en met het derde jaar bij elkaar in één klas, van het laagste VMBO-niveau tot het hoogste VWO-niveau. Pas in de vierde klas werden de kinderen gesplitst, waarbij HAVO en VWO leerlingen nog bij elkaar bleven. Het idee was dat deze integratie van leerlingen allerlei positieve effecten over een weer zou hebben. Ik vond het zelf maar onzin. Net als mijn mede-VWO-ers had ik het gevoel dat het niveau van de LTS, Huishoudschool en MAVO leerlingen de grote gemene deler was, waardoor wij voornamelijk uit onze neuzen zaten te vreten. Dan heb ik het nog niet gehad over de verschillen in groepscultuur tussen de A, B, C en D niveau (d.w.z. VMBO) leerlingen enerzijds en de E en F niveau (HAVO en VWO) leerlingen anderzijds. De leraren gaven de leerlingen de boodschap mee om eerlijk en open te zijn, dus als de leraar een ABCD leerling vroeg waarom hij/zij de vorige dag niet op school was, kregen ze het eerlijke antwoord dat ze geen zin hadden gehad. Toen het kwartje bij de leraren viel dat er een groep leerlingen was die misbruik van de mogelijkheden maakte, was het snel gedaan met de vergevingsgezindheid van de leraren. De ABCD leerlingen gingen weer als vanouds over op hun tactiek van constant manipuleren, liegen en bedriegen om zo weg te komen met hun impulsieve, egoïstische ik-alles-nu gedrag. Een softe, linkse benadering werkt bij veel kinderen simpelweg niet, wat de agogen ook mogen geloven of beweren. Wel frappant dat ik recent in de kranten lees dat men weer overweegt leerlingen van alle niveaus bij elkaar te zetten, als remedie tegen de tweedeling in de samenleving, alsof men niets geleerd heeft van experimenten uit het verleden.

We hadden ook een leraar maatschappijleer, die in zijn lokaal posters van socialistische signatuur had hangen, waarvan enkele uit de Sovjet unie, van die posters van fiere fabrieksarbeiders zwaaiend met vlaggen, dat soort werk. Voor de grap zei ik aan het einde van een les eens tegen hem dat ik een NAVO poster had en die graag in het lokaal zou willen ophangen. Tot mijn verbazing nam hij mijn voorstel serieus en reageerde als door een hond gebeten: de precieze woorden weet ik niet meer, maar het kwam neer op “over mijn lijk!”. Waarop medeleerlingen, zowel van rechtse als linkse signatuur, hem betichtten van indoctrinatiepraktijken, want die socialistische propagandaposters, daar was blijkbaar wel ruimte voor. Ik heb zelf uitgesproken dat ik vond dat dit niet door de beugel kon, en daarmee was voor mij de kous af.

Een week later was ik ziek en miste ik de maatschappijleerles, die uitmondde in een rel. Gedurende de hele les is er met de leraar gesproken over zijn weigering mijn poster op te hangen. Mijn klasgenoten hebben er nogmaals op gewezen dat als er ruimte in het lokaal is voor linkse propaganda, er ook ruimte moet zijn voor rechtse propaganda, het klaslokaal is niet het persoonlijke platform voor de politieke opvattingen van de docent. Ze zijn er uiteindelijk niet uitgekomen en mijn klasgenoten hebben de leraar wederom beticht van indoctrinatiepraktijken. Dit heeft de docent blijkbaar zo aangegrepen, dat hij een gesprek heeft gehad met onze mentor en de rector. Hij herkende zich niet in het beeld van iemand die anderen indoctrineerde met zijn gedachtegoed.

In de week daarop is de discussie op zijn initiatief weer op gang gekomen, met als uiteindelijke resultaat dat hij, met een verslagen en hangend hoofd, mij toestemming gaf om de NAVO poster op te hangen. Hij zag het duidelijk als een nederlaag. Waarop ik luchtig antwoordde dat ik helemaal geen NAVO poster had!

Nu heb ik sinds het verlaten van de middelbare school geen klaslokaal meer betreden. Toch, als ik om me heen de beschuldigingen over linkse indoctrinatie hoor, kan ik me zo voorstellen dat veel leraren gewoon niet in de gaten hebben dat zij wel degelijk hun eigen politieke en maatschappelijke normen en waarden in het klaslokaal inbrengen en zich daarmee inlaten met wat feitelijk indoctrinatie is. We moeten het niet groter maken dan het is, maar we moeten onder ogen zien dat veel leraren niet beseffen dat ze zelf geen vraagtekens zetten bij hun eigen normen en waarden, waardoor die wellicht iets te veel op de voorgrond treden.

De Psychologie van de Griekse Economie

Ik herinner me een uitzending van het TV-programma Buitenhof uit 2008, waarin de economen Bas Jacobs en Arjo Klamer met elkaar in discussie gingen. Jacobs stelde in die uitzending dat je niet-economische factoren niet in je economische analyses moet betrekken. Sterker nog, hij verwees de psychologische kanten van de economie doodleuk door naar psychologen!

Gisteren in Nieuwsuur deed Jacobs weer een uitspraak die alleen waarde heeft binnen een benauwd economisch-wetenschappelijk kader, namelijk dat het geheel van het Griekse schuldenprobleem overzichtelijk en dus oplosbaar is. Ik beweer het tegendeel.

Iedereen die een beetje verstand heeft van sociale wetenschappen, zoals psychologie, sociologie, antropologie en politicologie, kan zien dat Griekenland geen goed functionerende rechtsstaat is zoals bijvoorbeeld veel West-Europese landen dat wel zijn. De Grieken hebben gisteren democratisch gestemd tegen de Europese hervormingsvoorstellen, maar zoals ik elders al betoogde, betekent democratie nog niet dat je een goed functionerende rechtsstaat hebt. Het land staat bol van corruptie, vriendjespolitiek en een cultuur die erop uit is om wel de lusten te genieten, maar vooral geen lasten te dragen. Dat mag u kort door de bocht vinden, maar alleen al het simpele feit dat de Grieken zich op de borst slaan voor het democratische succes van hun referendum zonder te beseffen dat de rest van Europa de lasten draagt en zich daar niet democratisch over heeft kunnen uitspreken, is niets minder dan een gotspe, een onderhandeltruc van een verwend kind. Het zijn namelijk wél uw en mijn belastingcenten die nodig zijn om bijvoorbeeld een deel van de Griekse schulden kwijt te schelden. De meerderheid van de Grieken doet alsof die realiteit helemaal niet bestaat, alsof geld aan de olijfbomen groeit. Je hoeft de euro’s er alleen nog uit te plukken zodra ze rijp zijn.

In mijn beleving is Griekenland niets minder dan een verslaafde junk die bij je komt bedelen om geld onder het voorwendsel van dat geld naar een afkickcentrum te gaan, om vervolgens naar de eerste de beste dealer te rennen om drugs te kopen. Als je hem daar vervolgens mee confronteert, krijg je een een narcistische woede-uitbarsting over je heen, alsof jij degene bent die schuldig is aan alle problemen. Je wordt dan uitgemaakt voor asociale tyfuslijer en een krenterige kankerklootzak. Of terrorist, een woord dat Varoufakis in de mond nam. Het is typisch voor egoïsten om anderen van egoïsme te beschuldigen en zichzelf daarmee vrij te pleiten. En passant is al het geld door de WC gespoeld en is niemand er beter op geworden. Sterker nog, de verhoudingen zullen alleen maar duurzaam verslechterd zijn.

Als we Griekenland en de Grieken echt vooruit willen helpen, economisch én cultureel, dan moeten de Europese regeringsleiders hun poot stijf houden. Schuldenverlichting is pas een optie als Griekenland daadwerkelijk heeft laten zien een culturele omslag gemaakt te hebben, en niet op voorhand. Opmerkelijk genoeg is dit wat de rest van Europa al voorgesteld heeft: “Over schuldreductie valt te praten, op voorwaarde dat jullie eerst je gedrag duurzaam veranderd hebben!” Maar dat willen de Grieken niet, die willen eerst hún zin krijgen. Een beter bewijs dat Griekenland een puberale cultuur heeft is er niet.

Maar uiteraard heb ik ongelijk en moet ik niet-economische factoren volgens types als Bas Jacobs niet in mijn economische analyses betrekken…

Is Zwarte Piet racistisch?

Het lijkt erop dat Zwarte Piet zijn langste tijd heeft gehad: elk jaar wordt de kritiek op deze figuur sterker, en deze kritiek wortelt steeds beter in den Hollandschen bodem. Als deze trend doorzet, dan zal er op enig moment een situatie ontstaan dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking vindt dat Zwarte Piet echt niet meer kan. Een nieuwe sociale norm is dan een feit geworden.

Als het om normen gaat, is de waarheid uiteindelijk niet zo van belang. Dat wil zeggen, wat waar is, is niet zozeer van belang, maar wat men voor waar acht des te meer. Alexis de Tocqueville zei al eens dat “een verkeerd maar duidelijk en precies idee in de wereld meer kracht zal hebben dan een juist maar ingewikkeld idee”. De nieuwe waarheid die nu omtrent Zwarte Piet geconstrueerd wordt is net zo’n verkeerd en precies idee als de oude waarheid.

Is Zwarte Piet nu wel of niet racistisch? Ik heb zelf geen kinderen en houd me dus nauwelijks bezig met het jaarlijkse Sinterklaas-circus. Maar ik zie wel elk jaar bij het zappen fragmenten uit het Sinterklaasjournaal en de Club van Sinterklaas, en het lijkt mij overduidelijk dat de dommigheid waarvan de hedendaagse Zwarte Pieten zich bedienen zijn oorsprong vindt in het stereotype van de domme neger. Dat is ook wat er door tegenstanders betoogd wordt in het discours over Zwarte Piet: Jan Schenkman zou in zijn boek van 1850 een zwarte knecht geïntroduceerd hebben die gebaseerd is op stereotype ideeën over donkere mensen. Dan is wellicht zo, maar zulks is de vraag niet. De vraag is, of het cultureel ook zo door de mensen ervaren is en wordt.

Wat er gebeurd is met het fenomeen Zwarte Piet tussen 1850 en 2013, hoe deze figuur zich cultuurhistorisch ontwikkeld heeft, hoe deze aan veranderingen onderhevig is geweest, is een vraag die slechts weinig mensen zich stellen. Het gevolg is dat we een statisch beeld ontwikkelen van de figuur Zwarte Piet. We bekijken hem vanuit het perspectief van vandaag, of het perspectief van 1850, maar we negeren de diverse stadia die dit fenomeen heeft doorgemaakt, stadia die misschien wel heel interessant kunnen zijn voor het inzicht, voor een juist maar ingewikkeld idee.

Zo liep ik een jaar geleden tegen een artikel op groene.nl aan, dat betoogt dat de figuur van Zwarte Piet zijn oorsprong vindt in de heidense doden- en vruchtbaarheidscultus en via de figuur van de harlekijn in onze tijd terechtgekomen is. Maar het meest interessante wat het artikel betoogt, is dat in de Nederlandse culturele beleving het racistische aspect van Zwarte Piet pas een rol is gaan spelen na 1960, toen de eerste gekleurde rijksgenoten naar Nederland kwamen. Dit racistische aspect zou dan niet eeuwenoud zijn, maar dus van zeer recente oorsprong.

Of deze these hout snijdt heb ik niet onderzocht, maar cultuurwetenschappelijk gezien zou het enorm interessant zijn dat eens te doen. Ik bedoel, laten we wel zijn, tot diep in de jaren 50 was het niet erg waarschijnlijk dat je als gemiddelde Nederlander regelmatig in contact kwam met zowel Zwarte Pieten als gekleurde mensen. Het is dus zeer wel mogelijk dat voor 1960 Zwarte Piet niet in racistische termen werd beleefd.

Cultuur is altijd in beweging, zelfs al denken we te weten dat we met een eeuwenoude traditie te maken hebben. Een cultuurwetenschappelijk inzicht op het fenomeen kan dat beeld niet alleen rechtzetten, het kan zelfs handvatten aandragen om de figuur van Zwarte Piet van een nieuwe betekenis te voorzien, een betekenis die bovendien de banden met zijn oorsprong herstelt. Bovenal kan het ons doen inzien dat Zwarte Piet kan zijn wat we willen dat hij is.

Het Opperwezen

In zijn Metafysica Lambda ging de Griekse wijsgeer Aristoteles op zoek naar de Onbewogen Beweger. De gedachte hierbij was dat alles een oorzaak heeft, maar dat er iets moet zijn dat niet het gevolg van iets anders is, want de keten van oorzaak en gevolg kan niet tot in het oneindige teruggaan. Er is iets dat de oorzaak is van al het andere, maar zelf geen oorzaak heeft.

Als het bovenstaande u te abstract in de oren klinkt: het gaat over het fenomeen dat wij in onze hedendaagse samenleving ‘God’ plegen te noemen. In een meer antropologische, algemene en abstracte betekenis, welteverstaan.

Hoewel sommige filosofen kritisch zijn over het concept van de Onbewogen Beweger, is dit principe voor veel mensen het startpunt voor hun denken over God. De vraag is voor hen niet zozeer of er zoiets als een god is, maar vooral wat die god dan is en hoe die zich manifesteert. En dat leidt dan weer tot heftige discussies, bijvoorbeeld tussen atheïsten en gelovigen. Zo zijn er atheïsten die het geloof in een scheppende god maar onbewijsbare en irrationele onzin vinden. Aan de andere kant zijn er gelovigen die het volstrekt logisch vinden dat dit Universum, dat vooral complex van aard lijkt te zijn (maar misschien helemaal niet is), nooit uit zichzelf kan zijn ontstaan en dat er dus wel een iets als een scheppende god (of goden) moet zijn geweest. (more…)